Voor de laatste keer: Job lezen – een terugblik

Wat uit het boek Job helpt ons om goed om te gaan met de vragen van lijden en leed?

Steeds terug kwam het woord verbondenheid. Job wil als mens echt gezien en gehoord worden. Dat verlangt hij van zijn vrienden, en ook van God. Daarom werpt hij zijn vragen op – en dat alleen al helpt: dat hij zijn klacht mag uiten. Dat neemt de eenzaamheid van het lijden weg. En dan kan de tijd ook haar (relativerende) werk doen.

We hoorden in het slot dat God de klacht van Job ook aanvaardt, zijn durf en volharding goedkeurt. Misschien moet Job wel leren zich te beperken tot het klagen richting God, en het aanklagen van God op te geven: want wat God in en voor de schepping doet gaat ons te boven. God staat open voor de klacht van mensen, gaat daarin met mensen mee, ja lijdt met mensen mee, is hun bondgenoot hierin. En daarin kunnen wij zo goed als God zijn, door dichtbij mensen in hun lijden te zijn.

In alle verwarring over wie God nog is in zijn lijden, uit Job zijn verlangen naar het zichtbaar worden van God in zijn leven, zijn hoop en vertrouwen daarop. Die hoorden we in Jobs geloofsuitspraak middenin het boek: “Maar ik weet: mijn Losser (Bevrijder) leeft! Die zal tenslotte opstaan over het stof… Ik zal God aanschouwen!” (Job 19 : 25-26). Sterker dan alle vragen die Job als stof opwerpt is toch de God van het leven, soms wordt Die even zichtbaar.

Het was een zinvolle oefening in goed lezen en luisteren.