Een kleine impressie weer van het gesprek in de groep die in de vastentijd het hele bijbelboek Job leest.

Vanmiddag lazen we de eerste ronde van het gesprek tussen de 3 vrienden en Job, de hoofdstukken 4 t/m 14. Een aangrijpende dialoog.

De verleiding is groot om alle bloemrijke taal te gaan systematiseren – maar dat lukte ons niet. De vrienden gaan uit van een beeld dat God groot en almachtig is, en dus altijd gelijk heeft. Dus moet Job wel iets fout hebben gedaan. Als hij nu maar Gods straffende hand aanvaardt, komt het wel weer goed met zijn leven.

Dat is geen troost voor Job. Hij ziet wel Gods grootheid, maar hij ervaart die ook als willekeur. En hij wil van zijn vrienden geen algemeenheden over God, maar hij wil persoonlijk gezien worden, in zijn lijden.

Hij blijft zijn onschuld volhouden tegenover God en gaat vrijmoedig het gesprek met God aan, ook al zou het hem zijn leven kosten. Hij wil een soort rechtszitting tegen God organiseren. Wij hadden sterk het gevoel dat dat zijn manier is om God te bereiken: hij probeert daarmee God te bewegen om hem toch tenminste een kleine levensruimte te gunnen.